Historiek‎ > ‎

Het Werk van den Akker

wat voorafging in 'Het verhaal van Rozebroeken - Sint-Baafskouter': DE VUILNISHOOP VAN ST.-BAAFSKOUTER

Van verdere verkaveling of het bouwrijp maken van de drassige gronden was geen sprake meer. De familie d’Anvers stelde haar gronden trouwens ter beschikking van het Werk van den Akker. Deze vereniging richtte vanaf 1932 volkstuintjes in, eerst op percelen naast het stort, maar vrij snel ook op afgedekte stortgronden.

http://sintbaafskouter.be/googlesite/2015/04_volkstuintje.jpg

Het beeld van de wijk werd decennialang bepaald door de aanwezigheid van de volkstuintjes.

Historisch kan de volkstuinbeweging gezien worden als één van de paternalistische projecten waarmee de gegoede kringen in de 19de eeuw een antwoord dachten te geven op de sociale kwestie en de arbeidersellende. Door de lagere sociale klassen een lapje grond te laten bewerken, kon men ze weg houden van een radicaler engagement. Maar het ging vooral om het moraliserend effect. Tuinieren was immers een uitstekende manier om spaarzaamheid, vooruitziendheid en ook zelfrespect bij te brengen. Textielindustrieel d’Anvers kon zich daar blijkbaar in vinden en toen het fenomeen in de crisisjaren dertig een heropleving kende, namen ook op de Rozebroeken de volkstuintjes een snelle uitbreiding (in 1939 waren er van de 126 volkstuinders 92 werkloos of steuntrekkend). Tijdens de oorlog nam het aantal potentiële kandidaten nog toe. Ze probeerden het karige rantsoen met groenten van eigen kweek aan te vullen. Dat de uitbreiding van de volkstuintjes op afgedekte stortgronden gebeurde, werd toen niet als een probleem gezien.

Tijdens de oorlogsjaren ontstond er een drukke bedrijvigheid op het stort. Er was een ware volkstoeloop van mensen die, voorzien van schoppen en zeven, op zoek gingen naar halfverbrande cokesresten (scharbielden). De gerecycleerde brandstof, in zakken verpakt en verhandeld, betekende voor veel Gentse gezinnen een goedkope energiebron waarmee ze de oorlogswinters doorkwamen. De oorspronkelijke stortlaag werd op die manier volledig omgewoeld.

In de oorlogsperiode vestigde zich ook een aantal foorkramers met hun woonwagens op een stuk braakliggend terrein, in afwachting van de hervatting van hun normale bezigheid. Ook na de oorlog zouden ze het straatbeeld op een aantal percelen in de toenmalige Maria-Hendrikastraat blijven kleuren. Voor nog meer kleur en ook muziek zorgden zigeuners die regelmatig hun kampement opstelden op de weide vóór het Elzenbos. Op diezelfde plaats floreerde in de jaren zestig de stoeterij De Rozebroek met een tiental Shetland pony’s met stamboom en namen als Dolores, Helicon en Iris Van de Rozebroek.

De familie d’Anvers zette ondertussen haar goede werken verder en de volkstuintjes op de Rozebroeken bleven in trek. Op het hoogtepunt van de ontwikkeling stelden de grondeigenaars meer dan 200 percelen ter beschikking aan de leden van het Werk van den Akker. De tuinbouwactiviteit werd nu meer gewaardeerd als een gezonde buitenactiviteit en naast groenten werden ook bloemen gekweekt. De tuintjes lagen er piekfijn onderhouden bij en bij een gewestelijke hofprijskamp in 1951 werd het Sint-Baafskoutercomplex glansrijk eerste met 65 bekroonde tuintjes. In datzelfde jaar begint men met het afbakenen van de paden op het terrein. De totale oppervlakte bedroeg omtrent 8 ha, bewerkt door 242 tuiniers.

het vervolg van 'Het verhaal van Rozebroeken - Sint-Baafskouter': BOUWPLANNEN (1953)

Verdwaalpaadjes